De asielzoeker | naar Arnon Grunberg | regie Johan Simons

Waar de hoop het verdwijnpunt nadert, blijkt ze sterker dan ooit.

Op 21 oktober 2005 leidt de première van De asielzoeker officieel de termijn in van regisseur Johan Simons als artistiek leider van het nieuwe NTGent. Volgens Simons moet een stadstheater functioneren met zijn wortels diep in de eigenheid van zijn stad, en zich vandaaruit uitstrekken over (lands)grenzen heen. Een visie die we herkennen in zijn bewerking van Arnon Grunbergs roman, gemaakt in samenwerking met de dramaturgen Paul Slangen en Koen Tachelet. De scenografie van Bert Neumann is sprekend. Een podiumgroot luchtkussen met daarop een plattegrond van Gent is het speeloppervlak waarop de acteurs zich met moeite staande houden. Rond dat speelvlak kijken de uitvergrote gezichten van asielzoekers terug naar het publiek. Maar dit is geen stuk over (Gentse) asielzoekers. Het is een denkoefening over de vermoeide, zoekende Westerse mens.

Hoofdpersonage Christian Beck (Wim Opbrouck) was ooit een geprezen fictieschrijver, maar houdt het tegenwoordig op het vertalen van gebruiksaanwijzingen. Gebruiksaanwijzingen zijn nuttiger, zinvoller. Naast de kracht van literatuur, verklaart Beck dat ook de liefde en solidariteit illusies zijn, en het is zijn missie die te doorprikken. Maar wanneer Beck alles heeft ontmaskerd wat er te ontmaskeren valt, komt het besef dat het net de grootste illusie is zonder illusies te kunnen leven. Wanneer zijn vrouw Vogel (Elsie de Brauw) doodziek wordt, leeft hij enkel nog in functie van haar verzorging. Zelfs wanneer zijn vrouw met een asielzoeker wil trouwen om hem aan het geluk te helpen dat hij zoekt. Deze asielzoeker (Servé Hermans) is van het 'andere', 'vrijere' soort mens, dat afsteekt in zijn beweeglijkheid en idealisme. Maar doorheen pijn en vernedering ontdekt Beck nieuwe mogelijkheden tot geluk en liefde. Het is deze troostende gedachte die uiteindelijk de grond vormt van Simons' interpretatie van De asielzoeker.

"De Aaielzoeker is een hooglied van de liefde, dat tragisch genoeg wordt gezongen als het te laat is. (…) De beginscène zal me tot het einde van mijn dagen bijblijven. Elsie de Brauw en Wim Opbrouck zitten dicht bij elkaar en vormen in het schemerdonker een twee-eenheid. Samen zíjn ze de Vogel. Hun schrille vogelkreten maken deel uit van een spel én voorvoelen de angst en het verdriet bij de dood." (Geert Sels, De Standaard)

"Zo frontaal en functioneel als het bloot is, zo vertederend de vergeefse poging van Beck om het te verstoppen." (Peter Terrin, Knack)